juni 2016 Un chien Andalou

Wie kent ‘m niet, de klassieker Un chien Andalou? Nou, ik bijvoorbeeld, en dat doet er gelukkig helemaal niet toe voor het verhaal. De moraal verklap ik bij voorbaat: waarom wij vooral niet meer naar Spanje op vakantie moeten gaan.

Wij zijn sinds een jaar of 8 van de dierenliefde. Eerst voor Gukkie (ons asielpoesje van goede komaf; oorspronkelijk Gucci genoemd), maar al snel breidde zich dat uit tot vrijwel elk levend wezen dat geen mens is of 8 (of meer!) poten heeft. Wij ontwijken slakken op onze wegen na een regenbui, proberen tussen de rupsen door te rijden als het rupsentrek is, en ook een niet te grote spin wordt zorgzaam uit de tent verwijderd in intacte, driedimensionale toestand in plaats van plat. Een hagedisje dat niet meer uit een gladde wasbak omhoog kan kruipen zal ik redden, en Bert fietst precies hard genoeg om een musje door zijn frame te laten vliegen in plaats van gechopt te worden tussen de spaken.

Nachtegil

We maken een uitzondering voor duiven. Dat zijn en blijven nare beesten. Maar voor de rest: sinds Costa Rica kunnen ook vogels zich in onze warme belangstelling verheugen. Dat komt op Camping Torremolinos goed uit, want ik heb hier al meer papegaaien mogen spotten dan in heel Costa Rica. Maken trouwens wel een enorme herrie, die beesten. Hopelijk gaan ze vanavond op tijd slapen. Dat is niet zo evident als het lijkt: in de eerste week waren we op een nogal rurale camping, waar ik de slaap niet kon vatten. Gelukkig was Bert zo lief om mij attent te maken op het nachtelijke concert: een prachtig vogelgezang steeg op, voor ons onbekend. Dit moest wel de beroemde nachtegaal zijn! Het zong van gaal naar gaalse, en weer terug. Eén nadeel: het hield niet op en zo werd het alsnog een nachtegil.

Katten en honden

In Spanje is dierenliefde niet meteen een voordeel. Zoals vorige keer vermeld, zien we op de weg weinig beesten. Heeft misschien te maken met de talloze bordjes “coto privado de caza”, wat zoiets als “eigen jachtterrein” lijkt te betekenen. Vogels zien we wel. Ooievaars bijvoorbeeld, die druk bezig waren kleine ooievaartjes te maken. In de dorpjes is het anders: daar zien we de nodige zwerfkatten, die zich zo nu en dan ook laten gebruiken om onze Gukkiedeprivatie te verzachten.

Maar dan de zwerfhondjes: in Almócita werden we bij aankomst begroet door een blij jong hondje dat héél graag twee hondjes wilde zijn om samen te spelen. Of anders graag met ons wilde spelen. Ja, daar kunnen wij niet aan beginnen, wij moeten de camping nog zoeken. Na verhit op en neer fietsen vinden wij die, en worden begroet door hetzelfde blije hondje. De eigenaars van de camping blijken al 2 honden en een kat te hebben, maar dit hondje hoort nergens bij. Hij doet wel reuze zijn best: hij doet de trouwe-hondeogen-truc, de ik-rol-op-mijn-rug-en-laat-mijn-buik-zien-truc, en de algehele ik-ben-een-reuzeleuk-hondje-truc. Wij vinden het hartbrekend, maar kunnen niet lief voor hem zijn, want we gaan morgen weer weg. Dan zouden we ‘m alleen maar méér in de steek laten. Waarom ontfermt niemand zich over dit beestje? Adopteer ‘m of laat ‘m inslapen, maar dit is alleen maar zielig.

Un perrito Andalúz

En dan het eigenlijke verhaal. Ik hoor al een tijdje gerammel aan mijn fiets, en na een afdaling vind ik dat Bert er voor de zekerheid even naar moet kijken. We wachten tot we een schaduwplekje bij wat huizen hebben gevonden. Met de fiets is niets aan de hand, maar wat is dat vreselijke geluid dat we vlakbij horen? Een akelige nieuwe vogel? We moeten even kijken wat er aan de hand is. En jawel, in een greppeltje zit een klein hondje, een puppie nog, wanhopig heen en weer te lopen. We halen ‘m eruit, geven het water en het drinkt alsof het al dagen niet gedronken heeft – wat waarschijnlijk ook zo is.

Maar dan: we bellen aan, we houden een auto aan, maar iedereen zegt hetzelfde. Dat hondje, klein en zwart? Ja, dat loopt hier al een paar dagen rond, is niet van ons, niet ons probleem. Maar is er dan geen dierenarts of zo waar ze ‘m heen kunnen brengen? Nee, daar kan (lees: wil) niemand aan beginnen. Het is tegen de 40 graden, in de verste verten is geen water of bron te bekennen, laat staan eten. Iemand heeft dit puppie hier achtergelaten omdat-ie het niet kon gebruiken, het beestje is duidelijk wel gewend aan mensen.

Gelukkig hebben wij stevige fietstassen. Bert haalt wat spullen uit een voortas, en we nemen het beestje daarin mee; vanaf nu heet-ie Tassimo. Naar een volgend dorp, waar hopelijk genoeg mensen, water, te eten is om te overleven. Maar het “dorp” bestaat uit 2 straten en 3 huizen en de mensen die we spreken zeggen weer “niet mijn probleem, de wereld zit vol met zwerfhondjes”.

Terug in de fietstas, wij fietsen door naar de stad. En daar, bij een tankstation, vinden we eindelijk een Spaanse die begrijpt dat je zo’n beestje niet kunt laten creperen, en naar een dierenarts belt. Ons hondje wordt na een uurtje wachten opgehaald. We weten niet wat er nu mee zal gebeuren, maar alles is beter dan wanhopig in een greppel te versterven.

We zijn blij met de oplossing, en trakteren onszelf op een lief hotelletje en tapas + wijn.

Tekst; Christine, Fotografie; Bert

Advertenties